Thomas Renwart
Kunst als wapen tegen verdriet

26.02

Tuinieren en leven hebben zoveel met elkaar gemeen. We planten zaden en bollen om daarna te oogsten wat we zaaien, zonder vooraf te weten wat het resultaat zal zijn. We kunnen slechts hopen dat we na het verdwijnen van de duisternis weer opstaan, net als de narcissen. -Thomas Renwart

Els Roelandt: Je expo GOLDEN HOUR FADED BLACK bij KIOSK vertrekt van een gedicht van de Brit William Wordsworth uit 1807: I wandered lonely as a cloud, ook bekend als Daffodils. Het is een licht en vrolijk gedicht dat verschillende thema’s aanhaalt zoals de positieve invloed die de natuur kan hebben op het gemoed van de mens, de onverschilligheid waarmee mensen desalniettemin dikwijls tegenover de schoonheid van de natuur staan en de natuur die gewoon zijn gang gaat, of dat de mens nu al of niet interesseert. Waarom koos je dit gedicht als leidraad voor je expo bij KIOSK?

Thomas Renwart: Het gedicht van William Wordsworth achtervolgt me al een tijdje, het zit steeds in mijn achterhoofd. Ik ervaar al lang een drang om het als leidraad in te zetten, wat nu dankzij de expo bij KIOSK is gelukt. Ik denk dat in essentie mijn kunstenaarschap en tuinierschap hier in dialoog treden, zowel beeldend als fysiek. Jij en ik plantten samen 120 narcissen in de voortuin van KIOSK, het regende een hele dag, we legden ons volledig toe op het planten van de bollen. Heerlijk was dat. En de zon kwam na afloop ook kijken, alsof we haar hadden geprezen met een zoenoffer van nieuwe bloemen. Die daadkracht is eigen aan tuinieren. Je moet rekening houden met tijdspannen: de bollen moeten voor de eerste vorst geplant worden of ze kunnen niet meer één worden met de aarde die hen omringt. William Wordsworth verloor zijn dochter, Dora heette ze. Tijdens het rouwen kocht hij een stukje grond met daarop een kleine heuvel die als herdenkingsplaats werd ingericht. Hier plantte hij duizenden daffodils, hij noemde de plek Dora’s Field. De plek vereeuwigt zowel hem als zijn dochter Dora. Hier wordt een zeer tragisch moment omgevormd tot een plek waar hoop kan terugkeren. Ik denk dat de keuze van het gedicht van Wordsworth, nu en hier als leidraad, ingegeven werd door het voelen van groei. Mijn praktijk en mijn tuin zijn aangespekt, waardoor ik het gedicht nu pas echt begrijp.

ER: Het gedicht gaat in zekere zin ook over eenzaamheid, maar die wordt hier positief ingevuld, Wordsworth spreekt over the bliss of solitude. Ervaar je eenzaamheid als een positief gevoel, of meer nog, heb je eenzaamheid nodig om te creëren?

TR: Het gaat inderdaad om een soort eenzaamheid. Pamela Wolfe, een Nieuw-Zeelandse kunstenares omschreef het gedicht als: the permanence of stars as compared with flowers emphasises the permanence of memory for the poet, als een eenzaamheid die wordt overstegen door de fysieke en mentale herinneringen. De beeldtaal in dit gedicht is zeer rijk, typisch Brits if you will, en zit vol met kleine, tussen de zinnen door geregen lagen. Van daaruit, inderdaad, heb ik een bepaalde eenzaamheid nodig om te kunnen maken. Wordsworth vergelijkt op lyrische wijze narcissen met sterren. De ster is wat lijnvoering betreft inderdaad gelijkend op een doorsnee narcis, zoals bijvoorbeeld The King Alfred Daffodil. De ster is ook een metafoor voor zij die er fysiek niet meer zijn, maar wel permanent aanwezig in de herinnering. Dus ja, er is zeker eenzaamheid aanwezig in dit alles, maar ze wordt overtroffen door incarnaties. Ik heb getracht om die bijzondere herinneringen te vertalen in het werk Sacred Memories. Dat resulteert in een werk van ongeveer een zeven tal meter waar je start bij de glorie (de ultieme bloei) waarna je stilaan terugkeert naar het wachten – het nog brakke veld. Die wachtruimte vind ik enorm boeiend, want ze is nietszeggend en heel intens tegelijkertijd. Het werk is dus een tijdslijn van komen en gaan, eb en vloed.

ER:GOLDEN HOUR FADED BLACK is de titel van je expo. Verwijs je met deze titel naar het moment dat de narcissen uitgebloeid zullen zijn en je expo afgelopen? Je werk balanceert telkens op de grens tussen enthousiasme en vreugde die de natuur en in het bijzonder de lente brengen én een zekere tristesse die ik moeilijker kan benoemen.

TR: Inderdaad, de titel anticipeert op het verwelken van de narcissen. Veelal is dat mijn meest melancholische moment: wanneer ik zie dat de randen van de laatste bloem door de zon omkrullen in bruine tinten. Het vastleggen van wat verdwijnt is een beetje de kern van alles wat ik doe. Het is een antidote tegen nostalgie. Het werk draait ook niet om nostalgie, maar om het puur sang vastleggen van kleine glorieuze momenten, banaal bijna. De grootsheid van banaliteit is een van de puurste vormen van geluk voor mij. Ik denk dat ik als kunstenaar, vaak een soort van gène heb. Ik denk soms: Ach, ik heb geen dure referenties naar filosofen, kunst, film, ... Mijn werk, en vooral ook het werk hier aanwezig draait rond een soort van banaliteit, een moment dat bijna aan je voorbij zou kunnen gaan. Hier betrek ik graag de toeschouwer bij. Er is meer dan je denkt. Een ontmoeting met een bloeiend organisme is intrinsiek verweven met zoveel momenten in het dagelijks leven: dood, leven, vreugde, afscheid, feest, memorials, … You only see what your eyes want to see. En dat probeer ik ergens om te vormen. Vandaar de aanwezigheid van plooien, vouwen, plissés. Elke vouw, elke plooi heeft een efemere binnenruimte, een ademruimte waarin de lagen elkaar visueel raken maar niet fysiek. Dat is de efemere zone tussen droom en daad. Het is tevens de allereerste keer dat ik dit uitwerk, de narcissen gaven me die mogelijkheid, zoals ze me al zoveel gaven.

ER: Dat vind ik een mooi thema in het gedicht van Wordsworth: de natuur die door de mens veronachtzaamd wordt, waar geen aandacht voor is omdat ze altijd daar is, banaal is zou je kunnen zeggen. Maar net daar toont de natuur ook haar sterkte: ondanks de mens ontvouwt ze zich in allerlei heerlijke en gruwelijke vormen.

Je hebt voor je expo bij KIOSK ondermeer een tuin met narcissen aangelegd. Een dergelijke tuin leg je ook aan bij je Gentse atelier Nucleo. Tijdens de wintermaanden zijn in die tuin slechts naambordjes zichtbaar. Dat geeft een grappig effect. De Japanse kunstenaar Rumiko Hagiwara maakt van de benoeming van planten en onkruid een haast absurde bezigheid, of minstens hij toont het classificeren als een absurde bezigheid. Is controle, het benoemen en onderzoeken, het classificeren van planten (en ook diersoorten zoals motten en vlinders) voor jou belangrijk? Welke rol vervult die classificatie in je werk?

TR: Woord en beeld hebben een eeuwig absurd effect. Denk maar aan het werk One and Three Chairs (1965) van Joseph Kosuth, waarin een stoel fysiek, als afbeelding en als woord aanwezig is. Onlangs heeft Ole Ukena een nieuwe versie van One and Three Chairs gemaakt: Cher, Chair, Share (Hello, Joseph), 2011. Elk woord roept een verwachting op. De namen van bepaalde soorten bloemen en vlinders zijn vaak zeer abstract.In de floraliek worden bloemen meestal genoemd naar mensen, als eerbetoon, als postume eer. De met knollen en potgrond gevulde terracotta pot is een groot deel van het jaar visueel anoniem, je ziet enkel een bordje met de naamgeving van de bloem. Maar daardoor krijgt die simpele pot zo’n grote waarde denk ik, je weet dat je iets mag verwachten. Het is een aankondiging, alsof je naam bij je aankomst op een diplomatische soiree wordt afgeroepen. En ik ben daarin redelijk obsessief: de pot waarin iets groeit moet die pot blijven. De pot heeft zijn bestemming gekregen en dus is het vervangen van de inhoud van de put iets waar ik absoluut niet aan deelneem. They belong. Je kunt je bijvoorbeeld absoluut niets inbeelden bij de naam Little Emma, enkel dat het een Petticoat Daffodil is, een miniatuur narcis in de vorm van een ballet allure, waardoor de bloem wel bijna een sculptuur wordt. Ik denk dat classificering minder belangrijk is voor mij, het zijn eerder de momenten van eerste kennismaking die van belang zijn. Het drogen, het op polaroid foto vastleggen, het in mappen en kisten waarborgen, waarna er weer werk uit vloeit. Zoals de reeks Souvenirs d’un jardinier, een reeks waar ik aan werk tot aan het moment van de opening van mijn expo bij KIOSK. Je ziet voorlopig enkel de groene tongen uit de aarde komen maar binnen enkele weken duiken de eerste ingepakte gele vormen op. Hierbij zitten telkens gedroogde varianten van vorig jaar in. Ik denk dat het een beetje mijn variatie op One and Three Chairs is. De notities die ik bij de foto’s maak zijn ook vaak absurd, zoals bijvoorbeeld een referentie naar Céline Dion. Het zijn momentopnames genomen door een tuinier, geen gecureerde opvattingen. De snapshots, de polaroids, zijn ook pure momenten daardoor, ik kan ze niet manipuleren, de scherpte van de foto hangt af van zoveel factoren. De camera is hier de kunstenaar, ik absoluut niet. De beweging van mijn vinger is gewoon een handeling, het toevertrouwen aan de camera, de toestemming om een beeld te maken.

ER: Is het aanleggen van een tuin voor jou een daad à la Candide (Voltaire): Il faut cultiver notre jardin, de tuin zien tegen de achtergrond van oorlog, ziekte en ellende, de plek waar iets moois kan gebeuren door jouw toedoen? In het paradijs is er immers geen nood aan het aanleggen van een tuin omdat alles er perfect is.

TR: De tuin is voor mij een monument. Het heeft weinig te maken met iets moois maken als antwoord op het menselijke ego. Mijn fascinatie voor het aanleggen van een tuin is denk ik te traceren tot mijn kindertijd. Ik groeide deels op bij mijn grootmoeder in Zomergem. Haar landhuis was 18de eeuws, het had zelfs bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog overleefd. Iets later, in de 21ste eeuw, overleed ze, en het huis werd afgebroken en vervangen door acht prefabwoningen. Het was en is een pijnlijk iets om je bouwstenen niet meer fysiek bij te hebben. Françoise Hardy schreef er ooit een nummer over: La maison où j’ai grandi

Où sont les pierres et où sont les roses

Toutes ces choses auxquelles je tenais ?

D'elles et de mes amis plus une trace,

D'autres gens, d'autres maisons ont volé leurs places

Là où vivaient des arbres, maintenant

La ville est là

Et la maison, où est-elle, la maison

Où j'ai grandi ?

Tuinen zijn dikwijls het fundament van een identiteit. Vooreerst heb je de florale samenstelling die uit een bijzonder intieme plek komt. Je cureert wat je het liefste ziet, een beetje zoals een museum of een kunstcollectie. Waarna de plaatsing komt, wat ga je met elkaar verbinden of wat met elkaar laten ontmoeten? Zal je de balans opzoeken tussen groen en kleur? Of ga je voor een vier seizoenen tuin? En dan zijn er de vormen en lijnen: kies je eerder voor de Franse, Italiaanse of de Britse vorm? Je creëert je eigen, kleine (on)perfecte aards paradijs. Een plaats waar je als bezoeker eventjes iets of iemand anders kan zijn, waar je een gracieus moment kan ervaren. Het vervangt sentimenteel een plaats die er niet meer is, tegelijk verandert het een plaats. Het maakt het dragelijker, om als eerbetoon aan iets dat weg is, iets te kunnen bouwen op die historiek. Dat is voor mij de essentie van de tuin / of het maken van een tuin.

ER: Je hebt een uitgesproken voorkeur voor narcissen. In het mooie boek On the Necessity of Gardening (2021), lees ik het volgende citaat van Derek Jarman over narcissen: Narcissus is derived not from the name of the young man who met his death vainly trying to embrace his reflection in crystal water, but from the Greek narkao (to benumb); though of course Narcissus benumbed by his own beauty, fell to his death embracing his shadow. (...) Socrates called the plant ‘crown of the infernal gods’ because the bulbs, if eaten, numbed the nervous system. Perhaps Roman soldiers carried it for this reason (rather than for its healing properties) as the American soldiers smoked marijuana in Vietnam. Waarom verloor je je hart aan narcissen, daffodils?

TR: Mooi toch, hoeveel lagen er aan een oorsprong of betekenis van iets liggen? Ergens lijkt het een straf voor iemand die zichzelf consumeert maar het is ook een straf van de consummatie zelve. Hierin komt vooral numbing naar voor, een roes geven. Maar ik zie het net als de weg van het ontwaken uit de roes - hence de eerste glorie na de winter. Mijn eeuwige liefde en passie voor narcissen ontstond als kind. Ik was toen ziek, en kon vaak niet naar school, ik was eenzaam, ik had geen vriendjes en vriendinnetjes. En thuis, in Poeke, hebben we duizenden narcissen. Tijdens de krokus-en paasvakanties zat ik daar telkens letterlijk tussen. Ik sprak tegen ze, hoorde conversaties -als kind heb je een zeer levendige verbeelding- het waren mijn vrienden. Elk jaar zijn ze terug, ook nu nog. Ik spreek nog steeds tegen de narcissen, ook in Gent, alsof ze beter zouden groeien door zich gezien te voelen. Een cadeau dat ze mij ook gaven als kind. In Wales is het op Saint Davis Day de traditie om een boeketje narcissen aan elkaar te geven. Je wenst elkaar voorspoed, geluk, hoop, liefde en licht. Het is een gebaar van betrokkenheid. Waarna in Amerika, in de jaren vijftig, daffodil als scheldwoord voor homoseksuelen werd gebruikt. Iets moois met iets ongewild vergelijken, faut le faire. Dus ik denk dat de betekenis ondertussen veranderd is, en niet langer het negatieve benadrukt. Zoals eerder in het gedicht van Wordsworth wordt de narcis gezien als ster, als kompas, als baken van licht. Een vuurtoren in een nog bar landschap. Je weet dat vanaf dat moment alles beter zal worden.

ER: Je genoot een opleiding textielkunst aan Luca school of Arts. Craftmanship is belangrijk voor je, hoe sta je tegenover de Britse Arts and Crafts Movement van de 19de eeuw? En zijn er buiten de Engelse traditie nog andere invloeden op de manier waarop je vormelijk je werk benadert?

TR: Ik heb een beetje moeite met de Arts and Crafts an sich. In de tijd waarin het ontstond, leek het een veelbelovende utopie. De ambacht en de kunsten, het gebruik en verbruik, het materiaal, het ornament. Al deze dingen werden in perspectief gezet. Het doel was een soort van democratisering en wereldwijde verspreiding. Ergens is dit uitgemond in wat we vandaag kennen als massaconsumptie. Vaak vallen utopieën door de mand wanneer het economisch model plots aanslaat. Hierin zijn ze zeker de mist in gegaan. Maar, l’histoire se répète: ook vandaag zien we een enorme heropleving van het handwerk, keramiek, textiel, glas, meubels,... het Arts and Crafts jasje is helemaal terug. Met als groot verschil dat nu het ecologisch discours centraal staat, terecht. Helaas is het ecologisch ontwikkelen van materialen nog niet gedemoctratiseerd. Het is ergens voorlopig een privilege om ‘ecologisch’ te kunnen zijn. Ik hoop echt dat we collectief als fundamenteel recht naar een meer en vooral toegankelijker ecologisch beleid en consumptie kunnen evolueren. Het zou een recht en geen voorrecht moeten zijn. En daarin zie ik dan enkele raakpunten met de ‘originele’ Arts & Crafts beweging. Ik denk dat we pas echt van een beweging kunnen spreken wanneer we alle lagen van de bevolking mee kunnen trekken. Het luxe-product dat het vandaag is, vind ik persoonlijk vulgair. Het lijkt momenteel enkel iets voor mensen met tijd en centen. Dit was de grootste valkuil van de Arts and Crafts beweging. Daarom denk ik mijn interesse eerder in de richting van ‘diarist’ en het ‘documentaire’ evolueert. Het draait niet om het betert maken van de wereld, maar wel het gewaar maken van wat is en misschien niet zo zal blijven. We moeten voorzichtig omspringen met de natuur, dat begint met het echt kunnen lezen en begrijpen van iets. Hoe dichter je onderwerp bij je staat, hoe authentieker en duurzamer je dialogen kunt voeren met mensen, zonder het viseren, zonder polariseren, inspelen op het menselijke, opentrekken en niet onnodig romantiseren, de nodige afstand bewaren.

ER: Je grootvader had een textielbedrijf, was de stap naar textielontwerp daardoor zo natuurlijk voor jou?

TR: Mijn grootvader, Wilfried Boulez, had een weverij opgestart voor de Tweede Wereldoorlog. Hij stierf vier maanden voor ik werd geboren, waardoor we elkaar net kruisten. Maar mijn grootmoeder had, toeval of niet, de notities en geschriften van mijn grootvader bewaard. Het zijn boeken, volledig door hem handgeschreven, die hij startte tijdens zijn studies als ingenieur in textiel en tot lang in zijn actieve loopbaan. Het lijkt wel alsof ik ergens, een klein beetje, zijn legaat kan verderzetten. Textiel was wel niet mijn eerste keuze, de schrik van een kunstopleiding was nogal aanwezig. Ik wou vroedkunde gaan studeren. Maar toen ik voor een langere tijd tijdens de zomer na mijn humaniora in Engeland verbleef, waar ik toen enkele naaiworkshops gaf, schreef ik me dan toch in voor het ingangsexamen textiel. Zonder enige ervaring met beelden maken, mijn portfolio dat ik toonde aan de docenten was er één met alle taarten die ik die zomer had gebakken. Nooit gedacht dat ik het ging halen, en kijk, nu ben ik ondertussen gastdocent geworden op de plek waar ik zo bang voor was als achttien jarige. Het is grappig hoe dingen soms verlopen, niet?

ER: Literatuur en taal spelen ook een belangrijke rol in je werk?

TR: Absoluut, het is een enorm rijke voedingsbodem. Vooral poëzie raakt en inspireert me, bijvoorbeeld werk van Alicia Gallienne, Louise Glück, Amanda Gorman, Maya Angelou, Federico García Lorca. Poëzie is muziek zonder instrumenten. Ik schrijf ook heel vaak zelf, die woorden of zinnen zijn telkens het startpunt voor een nieuw werk. Woord is mijn kapstok, mijn hummus waarin ik kleine zaadjes plant en wacht tot iets kiemt. Het is ook contextualisatie, doorheen de mist kunnen kijken. Ik heb dat nodig om achteraf te snappen wat ik deed, waarom een beeld ontstond. Veelal ontstaat een beeld intuïtief, maar krijg ik de definiëring ervan helder na een proces van acceptatie. Ook gesprekken met mensen inspireren me mateloos, hoe mensen zich inleven en hun toets, hun laag, aanbrengen. Onlangs sprak een dame de wens uit om een zwart-wit geweven narcis, een nieuw werk van me, op haar doodskist te laten leggen. Ik kreeg kippenvel.

ER: Kan je iets vertellen over het werk dat je maakte voor KIOSK?

TR: Het werk voor KIOSK bestaat uit vier delen, twee delen die zich binnen zullen bevinden en twee buiten. De delen binnen bestaan uit een textiel werk van zeven meter lang, dat in een cirkel route te bekijken zal zijn, het werk heet Sacred Memories, een timelapse van het hoogtepunt van de narcissen bloei, over de stille periode tot de aanloop naar de terugkeer van de glorie. De chiffon waarop de beelden geprint zijn, is met plooien bewerkt, waardoor doorheen de lagen nieuwe beelden ontstaan. Souvenirs d’un jardinier, het tweede werk, is een reeks notities, dagboekfragmenten met polaroids en gedroogde narcissen. Deze reeks begon ik in november en ik werk er aan door tot aan de opening van de show. Het is een intieme inkijk in het proces van het tuinieren, een alter ego dat ik hier aanneem. Buiten vind je een tuin met narcissen, The Daffodil Garden: KIOSK Edition, die bestaat uit 120 bollen en zes varianten, waaronder de Narcissus Poeticus, de narcis van de dichter. Hier tussen geweven zie je tien vlaggen die een gesprek over spijt als narratief hebben. De vlaggen worden ondersteund door een impressionante constructie van kunstenaar Bert De Geyter. Ik denk dat de rode draad doorheen deze expo de wandeling is die je zowel cognitief als fysiek maakt doorheen je herinneringen, de obsessie van het vasthouden van de bijzondere periode van groei naar bloei. De expo is een metafoor van de complexiteit van wat het is om mens te zijn en hoe je eventjes in anonimiteit, een klein perfect en gelukkig moment voor jezelf kan maken door de gift van een tuin.

KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 1
KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 2
KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 12
KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 3
KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 4
KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 6
KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 7
KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 9
KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 11
KIOSK Thomas Renwart interview Els Roelandt 8