Andrea Wiarda,
Riet Wijnen
What’s in a name?

06.04

A: Wie zijn A, B, D, F en E in Lucy Lippard’s I See / You Mean?

R: Het zijn namen van personages in het boek.

Een gesprek tussen Andrea Wiarda en Riet Wijnen over het Registry of Pseudonyms.The Registry of Pseudonyms (Het pseudoniemen register) werd in 2013 door Riet Wijnen (Nederland, 1988) ontwikkeld tijdens een residentie bij Kunsthuis Syb in Beetsterzwaag. Het register kreeg vorm op een ad hoc website met bijbehorende specifieke naam (registryofpseudonyms.com, grafisch ontwerp van Mark Hollenstein). Het is een doorlopend project, tekenend voor de werkwijze van Wijnen: een vraag stellen, een onderzoek starten en daar een welhaast onbegrensd project van maken. Zonder haast.

AW: We spraken af, op jouw voorstel, dit gesprek via WhatsApp te voeren, je vindt het prettiger om geconcentreerd naar woorden te zoeken en je werk zorgvuldig te formuleren. Ook, vermoed ik, omdat het zo gelaagd is. Jouw werk ontwikkelt zich over tijd, over verschillende tekstuele en visuele lagen, en verdiepingen. Daarover later meer. Ik wil graag beginnen met een vraag naar het hoe en waarom van het register. Vanwaar je interesse in pseudoniemen?

RW: In het prille begin van mijn praktijk werkte ik vaak in reactie op gegeven situaties en contexten. Tijdens een residentie bij Kunsthuis Syb in 2013 raakte ik bekend met het leven en werk van Jan Jacob Slauerhoff, dichter, schrijver en arts. Hoewel hij voornamelijk als scheepsarts werkte, leidde hij in 1929 enkele maanden de praktijk van de plaatselijke huisarts in Beetsterzwaag. Een jaar daarvoor was zijn dichtbundel "Oost-Azië" verschenen onder het pseudoniem John Ravenswood. Waarom Slauerhoff een pseudoniem gebruikte is onduidelijk. De constructie zelf was namelijk heel doorzichtig omdat hij onder zijn eigen naam (J. Slauerhoff) het voorwoord schreef. Hierin legt hij uit dat hij deze verzen publiceert namens de onlangs overleden John Ravenswood, een Nederlander van Schotse afkomst, die zich uit het westerse leven had teruggetrokken en had gevestigd op het Zuid Koreaanse Jeju Island. Dit verhaal wekte mijn interesse in het fenomeen pseudoniem.

Ik realiseerde me dat dit een groot onderwerp was waar ik meer tijd voor wilde nemen. Bovendien had ik de behoefte om die contextuele manier van werken te doorbreken en dat leidde tot het Registry of Pseudonyms, een website met een groeiende verzameling van pseudoniemen. Naast een lijst met aliassen en ‘echte’ namen, worden (wanneer bekend) ook de beweegredenen voor het gebruik van een pseudoniem en de keuze voor een specifiek pseudoniem gedeeld; het Register deelt wie, wie is en waarom wie, wie is.

AW: Wat bedoel je met ‘wie, wie is’? Kun je wat meer vertellen over hoe het register is opgezet?

RW: Wie is wie als in welke fictieve naam is aangenomen door welke persoon of groep, hierbij verschilt de fictieve naam van de oorspronkelijke of 'echte' naam. Het Registry of Pseudonyms is heel breed opgezet om de rafelranden van het begrip ‘pseudoniem’ op te zoeken. Zo zijn ook door derden verleende bijnamen opgenomen.

Het antwoord op ‘waarom wie, wie is?’ zijn korte samenvattingen uit bestaande bronnen met informatie over waarom de persoon of groep voor de specifieke fictieve naam koos. Door zo breed mogelijk de individuele gevallen te verzamelen, ordenen en weer te geven onderzoek ik de term en de geschiedenis van het fenomeen 'pseudoniem'.

Dus bijvoorbeeld de Nederlandse schrijfster Antoinette Wind (1897–1971) publiceerde in 1930 voor het eerst onder de naam A.H. Nijhoff. Wind was in 1915 getrouwd met de Nederlandse dichter Marinus Nijhoff en nam zijn achternaam aan. In 1929 ontmoette zij de Britse modernistische kunstenaar Marlow Moss (1889–1958) die, ondanks haar huwelijk, haar partner werd. Moss noemde Antoinette soms Netty, en zij noemde Moss ook wel ‘the bird’. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld ook nieuwe namen die de eigen naam volledig en soms zelfs legaal vervangen opgenomen, zo ging Marlow Moss voor haar naamsverandering in 1919 door het leven als Marjorie Jewel Moss.

Zoals Ann Bannon, pseudonym van Ann Weldy (1932), een Amerikaanse auteur die zes lesbische pulpfictie-romans schreef. Haar man was op de hoogte van de boeken die ze schreef, en had haar verboden haar gehuwde achternaam te gebruiken omdat hij die niet wilde zien op een boekomslag met 'kunst van twijfelachtige smaak'. Ze nam de naam 'Bannon' uit een lijst van zijn klanten; o.a. omdat het haar eigen naam ‘Ann’ bevatte. De eerdergenoemde schrijfster Antoinette Wind daarentegen koos juist voor het gender neutrale A.H. Nijhoff.

AW: Zijn er nog andere gemene delers?

RW: De hoofdlijnen waarop ik selecteer zijn onder meer gericht op een grote diversiteit aan contexten waarin een pseudoniem gebruikt werd (vaak gekoppeld aan bepaalde beroepen), of redenen voor het gebruiken van een pseudoniem. Ook keek ik naar verschillende soorten pseudoniemen, van aliassen die gebaseerd zijn op de eigen ‘echte’ naam van de gebruiker tot pseudoniemen gebaseerd op een ander pseudoniem, tot meer talige pseudoniemen zoals bijvoorbeeld het pseudoniem **** ****** gebruikt door de schrijver John Murray (1778-1843), een pseudoniem dat enkel uit symbolen bestaat en uitgesproken zou moeten worden als: asterisk-asterisk-asterisk-asterisk white space asterisk-asterisk-asterisk-asterisk-asterisk-asterisk. De asterisk is het standaard symbool voor anonimiteit.

AW: Je onderzoek ontwikkelde zich integraal in een interactieve website, dat wil zeggen twee aan elkaar gelinkte lijsten: één met ‘echte namen’ en één met aliassen, die één voor één doorklikken naar informatie over specifieke personen en hun alter-ego’s. Op de site staan ze tegenover elkaar in zwart-wit: links zwart-op-wit de pseudoniemen, en rechts wit-op-zwart de echte namen. En je kunt dus op twee manieren browsen: van echt naar alias, en terug.

RW: Er is ook een derde meer indirecte manier van ‘zoeken’ op de website, onderaan de pagina van een individuele contributie zijn er ook soms links naar andere verwante pseudoniem gebruikers in het Registry. En soms gaat het enkel om de inspiratie voor de fictieve naam.

Zo kan men onderaan de pagina van co-leadzanger en bassist van de Beatles Paul McCartney (1942), die het pseudonym Paul Ramon aannam, een link vinden naar Douglas Glenn Colvin (1951–2002) de bassist van de Ramones. Alle bandleden van de Ramones namen een pseudoniem aan dat eindigde op de achternaam 'Ramone’, Douglas was de eerste, hij veranderde zijn naam in 1974 naar Dee Dee Ramone.

AW: Onder de ‘echte namen’ vinden we inderdaad veel meer vrouwennamen terug dan onder de pseudoniemen. Namen Wind en Nijhoff bewust het ‘risico dat men kon denken dat de boeken van Netty waren geschreven door Marinus? Met enkel de voorletters A.H. was het alias genderneutraal.

RW: Dat was mogelijk een risico en wellicht was dat ook een reden voor de keuze om een pseudoniem aan te nemen. Ik weet het niet en met de opzet van het Registry probeer ik bewust weg te blijven van speculatie m.b.t. tot individuele casussen. Wel denk ik dat ongelijkheid zeker een aanleiding kan zijn voor het gebruiken van een pseudoniem. Het dient om een filter of veil te introduceren om zo ‘ongezien’ te infiltreren in een systeem waarin men normaliter niet, of toch minder serieus genomen wordt, wellicht niet als gelijkwaardig wordt gezien, vaak op basis van gender en/of andere aspecten die onderdeel zijn van iemands sociale en politieke identiteit.

AW: Zie je hier een historische of sociale tendens?

RW: Onderdrukking, uitsluiting en discriminatie is van systemische intersectionele aard.

Ik wil niet speculeren over de beweegreden waarom vrouwen hun geboortenamen van de titelpagina hielden, deze zijn simpelweg niet altijd bekend. Ik kan niet klakkeloos aannemen dat ze allemaal te machteloos waren om hun ware identiteit te onthullen.

Ondanks dat er verschillende bijdrages zijn waarbij auteurs zelf hebben bevestigd dat de keuze voor een pseudoniem een manier was om bijvoorbeeld de patriarchale uitgeverswereld te omzeilen, en wiens eigenlijke naam ondertussen ook bekend bij het publiek is, zoal bij Antoinette Wind, is denk ik, het blijven circuleren van het pseudoniem nog steeds van belang. Een weglating van het gebruikte pseudoniem zou deze oorspronkelijke omstandigheden de-historiseren, we mogen niet vergeten dat deze vrouwelijke schrijvers beslissingen maakten over hoe ze hun werk op de markt wilden brengen, en daarmee indirect ook de heteroseksuele patriarchale markt in herinnering houden.

AW: Jij benadrukt duidelijk ook een ‘activistische’ en radicale kant van het alter ego. Wanneer gaat het om een geuzennaam, een collectieve naam en wanneer zie je het als pseudoniem? Hoe werkt de dynamiek tussen gegeven namen en gekozen namen?

RW: Ik heb hier in het register bewust geen onderscheid in gemaakt, omdat ik me al snel realiseerde dat als ik echt wilde gaan begrijpen wat een pseudoniem inhoudt, ik ook moest onderzoeken wat de kracht (of macht) van een naam of meerdere namen is.

In het verlengde hiervan heb ik ook gekozen om in verschillende gevallen ook bewust de meisjesnaam toegevoegd in het register, zoals bijvoorbeeld bij Antoinette Wind en Alice Hastings Bradley. Dit omdat, tenminste in het Westen, van oudsher vrouwen op het moment van huwen vaak de achternaam van hun man overnemen, en achternamen vaak neigen naar het patrilineaire. En als ik echt rigoureus zou zijn geweest, zou ik misschien wel de meisjesnamen van de grootmoeders van moederskant hebben moeten opnemen.

AW: Pleit je voor een eerder matriarchale benadering? Of hoe zou een pluriarchale benadering kunnen werken?

RW: Ik heb geen idee hoe het praktisch zou moeten functioneren, maar als startpunt voor een nieuw (achter-)naam systeem zou ik breken met de structuur die geworteld is in het concept van de ‘nucleaire familie’ en daarmee dus ook breken met de heteronormatieve en binaire uitgangspunten van het huidige systeem, maar tegelijkertijd wel de verbinding met (voor)ouders behouden...

AW: ‘Alla WhatsApp’ begint onze conversatie zich over verschillende lijnen te ontwikkelen. Ik spring even terug naar het onderzoek naar de kracht (of macht) van de naam, waar je eerder naar verwees. In zekere zin geeft een pseudoniem of alter ego een auteur vrijheid; het is een vorm van anonimiteit waarin ze los van gefixeerde identiteit, nationaliteit, etniciteit, gender, sociale status etc. kunnen werken. Waar ligt volgens jou de kracht van een naam?

RW: In persoonlijke relaties.

AW: Marlow Moss (2013) & Grace Crowley (2019), zijn de titels van twee publicaties die je publiceerde bij Kunstverein Publishing in de periode dat je ook het Registry opbouwde vanaf 2013. Ze gaan ieder over een modernistische vrouwelijke kunstenaar en analyseren in zekere zin de manier waarop zij vormgeven aan hun identiteit – als vrouw, als kunstenaar, als lgbtq, als modernist, als geliefde, als migrant of reiziger, als zoekende, en mogelijk ook als groep?

RW: Het is interessant dat je Marlow Moss en Grace Crowley benoemt. Mijn eerste reactie gaat misschien minder direct in op je vraag. Ik moest namelijk meteen denken aan de rol van fictie. Je zou kunnen zeggen dat door het creëren van een pseudoniem, fictie wordt geïntroduceerd in de realiteit. Deze fictie creëert een abstracte ruimte die de mogelijkheid schept om te spreken. De redenen voor het creëren van zo’n fictieve ruimte verschillen.

In de publicatie Marlow Moss wordt fictie onderdeel van de realiteit, maar op een andere manier. De publicatie, een alternatieve biografie, vertelt het verhaal van de gelijknamige Britse constructivistische kunstenaar en haar werk. Het bestaat uit een reeks lijsten met ‘feiten’ samengesteld uit geschreven bronnen over en door Moss uit verschillende periodes. Deze lijsten bevatten tegenstrijdigheden en hiaten, onder andere omdat sommige personages in de romans geschreven door Netty Nijhoff (geboren als Antoinette Wind en partner van Moss) zijn gebaseerd op Moss, de monologen van deze karakters zijn in de loop van de tijd soms behandeld als non-fictie vanwege het gebrek aan feitelijke informatie over Moss, en zo werd fictie als een feit geïntroduceerd en onderdeel van de geschiedschrijving rondom Marlow Moss.

Bij de publicatie Grace Crowley is de rol van fictie meer indirect aanwezig. Deze publicatie is gebaseerd op brieven aan de Australische kunstenaar en pionier van modernistische schilderkunst Grace Crowley (1890–1979) door vrienden, familie en collega's. Onderdelen van die brieven, uit het archief van de Art Gallery of New South Wales en de Bibliotheek van New South Wales in Sydney, heb ik getranscribeerd en gecategoriseerd onder kopjes zoals ‘Marital Status’, ‘Teaching’, ‘Hosting’, ‘Eurasia’, ‘X’, ‘Being A Woman’, ‘War’, ‘$’, en ‘Making Work’. Hier is het resultaat ook een alternatieve biografie, maar nu geconstrueerd door middel van ‘levende’ relaties; gaandeweg het boek wordt er tussen de regels door een beeld van Crowley geschetst door het, of eigenlijk haar, (sociale) netwerk. Deze nadruk op relaties zegt veel over het belang en de kracht van een naam. En dat is volgens mij ook in lijn met de aanwezigheid van ‘gemeenschappen’ in het Register.

AW: Zijn er bepaalde 'genres' waarvoor auteurs vaker een pseudoniem inzetten? (Ik denk aan de lesbische literatuur, maar ook aan Pauline Réage die een pornografische bestseller schreef onder pseudoniem, en vervolgens een tweede leven ontwikkelde onder nog een ander pseudoniem …)

RW: Zo diep ben ik nog niet specifiek de literaire gemeenschap in gedoken. Maar ik denk dat het niet geheel toevallig was bijvoorbeeld dat in de kringen rondom Naiad Press, opgericht in 1973 en één van de eerste uitgeverijen die zich toelegde op lesbische literatuur, veel pseudoniemen gebruikt werden.

AW: Kun je daar wat meer over vertellen, over de collectieve pseudoniemen? Maar ook in het bijzonder over de Naiad Press en er aan gelieerde auteurs?

RW: Nicolas Bourbaki is een collectief pseudoniem, waaronder een groep (voornamelijk Franse) 20e-eeuwse wiskundigen een serie boeken schreef met uiteenzettingen over moderne geavanceerde wiskunde, het brengt letterlijk een aantal mensen samen onder eenzelfde naam. Naiad Press is niet zo zeer een collectief pseudoniem, maar eerder een gemeenschap waarbinnen veel pseudoniemen worden toegepast. Daarnaast gebruik ik in de context van het Registry ook vaker het woord gemeenschap om te refereren naar een web of domino van pseudoniemen die direct en indirect aan elkaar gelinkt zijn, deze ad hoc netwerken heb ik ook weleens zichtbaar gemaakt in de vorm van een poster en billboard.

AW: Hoe werkt dat?

RW: Het magazine Girls Like Us nodigde me uit om voor Issue #6 Secret (2014) een selectie te maken van LGBTQIA+ mensen die allen actief waren onder pseudoniemen, deze selectie werd zowel opgenomen in het magazine als in het register. In het onderzoek hiervoor stuitte ik op de uitgeverij Naiad Press.

Barbara Grier, een van de medeoprichters van Naiad Press, begon als 24-jarige boekenrecensies te schrijver voor ’The Ladder’, een tijdschrift van de eerste lesbische burger- en politieke organisatie in de VS, de Daughters of Bilitis. Grier gebruikte hiervoor meerder pseudoniemen, onder meer Gene Damon, Lennox Strong, en Vern Niven. Op 35jarige leeftijd werd ze redacteur bij het magazine, en vijf jaar later begon ze met haar partner Donna McBride de uitgeverij Naiad Press. Ze werden aangemoedigd en ondersteund door Anyda Marchant en Muriel Crawford, de twee redacteuren van The Ladder. Het eerste uitgegeven werk was The Latecomer, geschreven door Marchant onder het pseudoniem Sarah Aldridge, er zouden nog 10 boeken onder deze naam volgen.

Schrijvers die onder meer door Naiad Press werden gerepresenteerd waren Velma Nacella Young (aka Francine Davenport, Nacella Young, Valerie Taylor, Velma Tate) en Ann Weldy (aka Ann Bannon). Van Ann Weldy, of eigenlijk Ann Bannon, gaf Naiad Press een heruitgave uit van de serie Beebo Brinker Chronicles, oorspronkelijk was deze serie uitgegeven door Gold Medal Books. Bannon was hier terecht gekomen nadat ze een fan brief schreef naar Marijane Meaker, naar aanleiding van haar boek Spring Fire dat onder het pseudoniem Vin Packer was uitgegeven door Gold Medal Books. Dit boek wordt ook wel gezien als het begin van het genre lesbian pulp fiction. Meaker had op haar beurt weer kortstondig een relatie met schrijfster Patricia Highsmith die psychologische thrillers schreef met een homoseksuele ondertoon.

AW: Dat kwam dus voort uit nieuw werk gerelateerd aan het register. Je ontdekte er zo nieuwe tendensen, lijnen en constellaties, die je presenteerde op de billboards voor o.a. de kunstvlaai of op posters in tentoonstellingen, zoals bij Index in Stockholm. We hebben het dan niet meer over reële gemeenschappen met een gedeeld perspectief, maar eerder een ‘gemeenschap bij associatie’ waar je op associatieve wijze pseudoniemen en bijbehorende personages aan elkaar koppelde. In één ervan ga je van "Dee Dee, Tommy, Marky, Johnny, Joey, Richie, C.J., and Elvis changed their last name to Ramone” ... via Lyndon B. Johnson en Lewis Carroll's white rabbit, naar B.I.C..

RW: Het billboards project waar je naar refereert maakte ik op uitnodiging. P/////AKT in Amsterdam nodigde me uit om een bijdrage te leveren aan de alternatieve kunstbeurs de Kunstvlaai. Deze specifieke editie vond plaats op reclameborden die verspreid opgesteld stonden in het Amstelpark. Ik selecteerde hiervoor pseudoniemen die zich verhouden tot het billboard als object en muzikanten wiens muziek een plek veroverde in de Billboard Hot 100, een bekende Top 100 in de VS. De pseudoniemen op het billboard zijn op zo’n manier gerangschikt dat er ook relaties worden blootgelegd.

Zo verscheen er muziek van de Ramones in de Billboard Hot 100, zij schreven een protestlied tegen president Reagan (toen Reagan filmacteur was sprak hij zijn achternaam uit als ‘Reegan’, maar sinds hij het witte doek voor de politiek inruilde in 1966, veranderde hij ook de uitspraak van zijn achternaam naar ‘Raygen’. De spelling van de naam bleef hetzelfde), die tot 1962 net als president Lyndon Baines Johnson lid was van de democratische partij. Johnson, ook vaak LBJ genoemd, was getrouwd met Claudia Alta Taylor, beter bekend als Lady Bird Johnsons. Ze kregen twee dochters: Lynda Bird (1944) en Luci Baines (1947). En ze hadden een hond, Little Beagle Johnsons. Johnson had de gewoonte mensen en dieren namen te geven met de initialen van hem en zijn vrouw: LBJ. Lady Bird Johnsons was het brein achter De Highway Beautification, die het aantal billboards langs de snelweg beperkte, een wet die werd aangenomen tijdens het presidentschap van Lyndon Baines Johnson.

AW: Op deze manier wordt er nog een laag categorieën aan het Register toegevoegd. Het ging nog niet vaak specifiek over de kunstwereld of wel?

RW: Misschien is het meer een lezing dan een categorie. Behalve het billboard, de poster en de tijdschriftbijdrage kwam er ook een boek voort uit het Registry of Pseudonyms. Tijdens het opzetten van het Registry werd het me al snel duidelijk dat er nauwelijks teksten zijn die zich op de term zelf focussen zonder individuele verhalen van het gebruik van een pseudoniem centraal te stellen. Daarop ontstond het idee om een reader te ontwikkelen. Het resulteerde in ‘Inverted Commas’ het 13e nummer van het typografisch journaal F.R. DAVID dat ik samen met Will Holder maakte in 2017. Deze reader neemt het Registry of Pseudonyms als startpunt, maar in tegenstelling tot het register ligt de focus op de term ‘pseudoniem’ ansich en niet zozeer over de individuele gevallen.

AW: Hoe kwam de term pseudoniem daaruit naar voren? In de bijdrages zag ik vooral verhalen over anonimiteit, identiteit en rollenspellen.

RW: We hebben de term pseudoniem benaderd door het samenbrengen van een reeks teksten die reflecteren op onderwerpen die nauw verwant zijn aan pseudoniemen, zoals namen, naamgeving, lichamen, hersenen, zelf, auteur, de ander, lezer en arbeid. Bijdrages zijn onder andere het werk Steps (1971) van stanley brouwn; een fragment uit de roman “I See/You Mean” van de schrijver, kunstcriticus, activist en curator Lucy R. Lippard; de tekst The Hidden Work waarin Silvia Federici kwesties m.b.t. huishoudelijk werk analyseert als directe consequentie van het patriarchaal kapitalisme en als vrouwenonderdrukking; en Why I Write waarin Joan Didion schrijft over het schrijven zelf, dat ze romans schrijft om uit te vinden wie de verteller is in het verhaal en waarom de verteller haar dit verhaal verteld.

AW: Het is een geweldige bron van fascinerende en ook grappige reflecties en observaties op de notie pseudoniem. En, het laat nog altijd vele deuren open voor interpretatie. Net als het register zelf. Weer even terug: door te focussen op wie welke naam gebruikt(e) en er de waaromvraag bij te stellen, onderzoek je de implicaties van de term en de geschiedenis, of ontwikkeling ervan in de loop van de geschiedenis. Tegelijkertijd leest het resultaat, het Register van pseudoniemen, ook als een verzameling korte verhalen. De motivatie wordt door jou op kernachtige en, in zekere zin, subjectieve manier verwoord. Ik bedoel dat je een selectieve vertaling maakt van de gegevens die je vond. Het leest als een reeks ‘karakterschetsen’ maar ook als een verhalenbundel, net als de ‘Inverted Commas’ reader in zekere zin.

RW: De wortels voor deze manier van werken liggen in de publicatie Marlow Moss welke ik vlak voor het Registry of Pseudonyms maakte. Deze publicatie gaat indirect over geschiedschrijving, de publicatie Marlow Moss legt bloot hoe actief en subjectief dat proces is. Tijdens het onderzoek naar het leven en werk van Moss voltrok dit proces zich letterlijk voor mijn ogen. Doordat, zoals ik al zei, er relatief weinig geschreven is door en over Moss was het mogelijk alle bronnen in chronologische volgorde te lezen, waardoor het proces van geschiedschrijving, en alle invulling, interpretaties etc. navolgbaar waren. Er ontstond een web-achtige en beweeglijke constructie van haar leven door de tijd heen, dit heb ik proberen te vangen in lijsten. Ook werd duidelijk dat relaties een belangrijke rol hierin spelen, onder meer hoe nabestaanden Moss in leven houden door middel van verhalen. De transformatie die plaats vindt tussen verschillende vertellingen van zo’n verhaal is enorm, veel informatie ligt besloten tussen de regels, die ruimte is heel belangrijk.

AW: Hoe gaat het nu verder met het Registry of Pseudonyms?

RW: Het Registry of Pseudonyms ontwikkelt zich met golven, met intense periodes waarin ik werk aan het uitbreiden van het registeren periodes waarin het Registry in ‘slaapstand’ staat. Ik moet eerlijk bekennen dat het zich op dit moment in een verlengde winterslaap bevindt.

De oorspronkelijke brede opzet was om een idee te krijgen van de reikwijdte van het gebruik van een pseudoniem. De uitnodigingen om vanuit het Registry of Pseudonyms naar het gebruik van pseudoniemen in specifieke contexten en gemeenschappen te kijken heeft ook het plan voor de toekomst ervan gevoed. Het is tijd om meer de diepte in te gaan, en te focussen op het gebruik van pseudoniemen in een aantal specifieke gemeenschappen in verschillende tijden, door het onderzoek op zo’n manier toe te spitsen is het ook mogelijk om een bredere sociale en politieke context waarin de pseudoniemen gebruikt worden in acht te nemen, en tegelijkertijd ook onderzoek te doen naar de individuele omstandigheden waaruit het pseudoniem is voortgekomen. Daarnaast wil ik ook gaan experimenteren met een manier van werken waarbij het Registry ook kan dienen als een platform om collectief onderzoek te doen, om te werken mét specifieke gemeenschappen in plaats van over.

AW: Heb jij een favoriete entry, of lezing binnen het register? Eén die je echt heel bijzonder vindt en nog niet genoemd hebt?

RW: Dat verschilt per dag! Maar, ik zou zeggen als fenomeen in relatie tot de notie pseudoniem: ‘a common man’.

Riet Wijnen is kunstenaar (Amsterdam). Ze onderzoekt verbanden tussen abstractie, structuren, systemen, taal, relaties en perceptie. Dit onderzoek resulteert ondermeer in langlopende projecten of cycli van werken zoals Sixteen Conversations on Abstraction (2015-), Registry of Pseudonyms (2013- ). De vormen die de werken aannemen zijn divers, van sculptuur tot cameraloze-fotografie, houtdruk, teksten, websites en recentelijk ook letterontwerp. Wijnen stelde tentoon in binnen-en buitenland, ze geeft momenteel les op de afdeling Grafische Vormgeving van de Gerrit Rietveld Academie.

Andrea Wiarda (Milaan) is kunsthistorica, schrijver, onderzoeker en curator. Ze is co-directeur van Kunstverein Milano | Kunstverein Publishing Milano, en doceert momenteel Critical Writing aan de MA in Curatorial Studies aan de Naba Academie in Milaan. Ze was mede-oprichter en co-hoofdredacteur van A Prior Magazine tussen 1999 en 2011. Momenteel is zij curator van een nieuwe aflevering van Riet Wijnen's cyclus Sixteen Conversations on Abstraction, die in de herfst van 2021 in Kunstverein (Milano) zal plaatsvinden.

KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 01
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 02
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 03
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 04
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 05
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 06
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 07
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 08
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 09
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 10
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 11
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 12
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 13
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 14
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 15
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 16
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 17
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 18
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 19
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 20
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 21
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 22
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 23
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 24
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 25
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 26
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 27
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 28
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 29
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 30
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 31
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 32
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 33
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 34
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 35
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 36
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 37
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 38
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 39
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 40
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 41
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 42
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 43
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 44
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 45
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 46
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 47
KIOSK RIET WIJNEN THE REGISTRY OF PSEUDONYMS 48